Vaker van kennis naar kassa

Peter Baeten

Sinds 1980 is het aantal patentaanvragen door kennisinstellingen met meer dan een factor veertien gegroeid, naar rond de vierhonderd per jaar nu.

Dat blijkt uit een 25 november verschenen rapport van het Rathenau Instituut. Het aandeel van de kennisinstellingen in het totaal van de Nederlandse patentaanvragen is gegroeid van 1,1 % in de periode 1980-1984 naar 4,7 % in 2005-2009. Het overgrote deel van de patentaanvragen gebeurt dus nog steeds door bedrijven, meer dan 95 %. In de periode 2005-2009 droegen onderzoekers van kennisinstellingen direct (als aanvrager) of indirect (als uitvinder) bij aan één op de veertien Nederlandse patentaanvragen.

‘Eigenlijk is er nog maar weinig bekend over patenten van kennisinstellingen, zoals universiteiten en de grote technologische instituten’, zegt Edwin Horlings, een van de opstellers van het rapport. Het Rathenau-rapport moet een eerste stap zetten naar het opvullen van deze blinde vlek.

Horlings: ‘Het ging ons er alleen om de harde cijfers boven water te krijgen. Dat was op zich al een helse klus. We hebben ons nog niet bezig gehouden met de verdere analyse en met het geven van beleidsadviezen aan overheid en kennisinstellingen op basis van de cijfers. Maar dat is natuurlijk wel een logische vervolgstap.’

Patenten worden gezien als een belangrijke indicator voor de mate waarin kennisinstellingen hun onderzoek afstemmen op de behoeften van de industrie en de maatschappij, iets dat meer en meer door de politiek wordt geëist. Maar het is van groot belang rekening te houden met een aantal beperkingen van het patent als indicator hiervoor, erkent ook Horlings.

Ga maar na: patenten zijn niet het enige middel om intellectueel eigendom te beschermen. Niet alle ideeën zijn patenteerbaar en veel patenteerbare vindingen worden niet gepatenteerd. Veel patentaanvragen worden niet toegekend en veel patenten worden nooit commercieel geëxploiteerd. Slechts een klein deel van de patenten heeft grote economische waarde. Patenten worden niet in alle economische sectoren evenveel gebruikt. Niet alle patenten worden gebruikt om nieuwe vindingen publiek te maken of om innovatie te bevorderen.

Voeg hier nog bij dat Rathenau alleen naar patentaanvragen keek, en niet naar de toegekende patentaanvragen, en het is duidelijk dat hooguit een eerste, grove indicatie is verkregen over de mate waarin kennisinstellingen hun onderzoek in de laatste decennia meer zijn gaan afstemmen op de behoeften van industrie en maatschappij.

Een andere conclusie van Rathenau is dat het specialisatiepatroon van de kennisinstellingen geleidelijk is verbreed. De kennisinstellingen zijn vooral gespecialiseerd in chemie (onder andere biotechnologie, farmaceutica, voedselchemie) en instrumenten (onder andere medische techniek). Er is een duidelijke overeenkomst tussen de specialisaties van bedrijven en kennisinstellingen. In de topsectoren zijn kennisinstellingen vooral actief op het gebied van high tech, life sciences en chemie. Kennisinstellingen hebben een groeiend aandeel in de patentaanvragen die relevant zijn voor de topsectoren. Alleen bij tuinbouw en uitgangsmaterialen doet deze ontwikkeling zich niet voor.

De meeste kennisinstellingen zijn pas na 1980 begonnen met het aanvragen van patenten. Veranderingen in wet- en regelgeving in de jaren tachtig versterkten de positie van patenthouders, waardoor patenteren aantrekkelijker werd. Een tweede verklaring voor de groei is de opkomst van de kenniseconomie, waarin intellectueel eigendom belangrijker werd.

Met uitzondering van TNO was vóór 1980 dus slechts een enkele instelling actief. De Universiteit Leiden, Rijksuniversiteit Groningen en Universiteit Utrecht hebben sinds de jaren tachtig de meeste patenten aangevraagd en zijn het meest consistent actief geweest. Onder de Technische Universiteiten (inclusief Wageningen Universiteit) is de Technische Universiteit Delft veruit de grootste aanvrager.

Van de grote technologische instituten (GTI’s) patenteren alleen TNO en ECN substantieel. TNO is de kennisinstelling die het meest patenteert. TNO vraagt al sinds de jaren veertig patenten aan. De overige GTI’s doen dat nauwelijks. Ook de drie Technologische Top-Instituten (TTI’s) vragen een behoorlijk aantal patenten aan. Dit geldt in het bijzonder voor het Dutch Polymer Institute (DPI), dat al sinds 2000 actief is.

Lees ook

Nieuws brief
* indicates required